Dinsdag, 11e week door het jaar

Beste gelovigen, in de eerste lezing zijn we in een nieuw deel van de tweede brief van de apostel Paulus aan de Korintiërs beland. Dit tweede deel gaat over solidariteit, over vrijgevigheid. De christenen in Jeruzalem leefden in bittere armoede. En Paulus organiseert overal waar hij komt inzamelingen voor hen. Hij noemt deze inzamelingen: de ondersteuning van de heiligen.

En de verschillende gemeenschappen in Macedonië geven veel, heel veel. Paulus beschrijft het als volgt: Zij gaven meer dan wij durfden hopen; zij gaven zichzelf, in de eerste plaats aan de Heer, maar dan ook, door Gods wil, aan ons. Hoewel het geld broodnodig was om de nood in Jeruzalem te stillen, is het voor Paulus nóg belangrijker dat dit geven met de juiste intentie gebeurt: in geloof aan God en met erkenning van Paulus als apostel van Jezus. Dit laatste geldt in het bijzonder voor de gemeenschap in Korinte, die Paulus maar moeilijk konden aanvaarden als leider, omdat hij arm was en niet welbespraakt. De juiste intentie bij het geven is de liefde voor God en de medemens: Ik wil de echtheid van uw liefde toetsen aan de toewijding aan anderen betoond.

De toewijding aan anderen wordt vandaag ingevuld in het evangelie: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen. Hoe moeten we deze zin begrijpen? Moeten we maar alles goedpraten wat anderen aan zonden bedrijven? Nee, absoluut niet! Het antwoord geeft Jezus: …die immers de zon laat opgaan over slechten en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. ‘De zon laten opgaan’ betekent de ander het recht van leven geven. ‘Het laten regen’ betekent de ander niet hinderen in zijn basisbehoeften, de behoeften om te kunnen leven. Onze veroordeling van onze vijanden mag niet zó ver gaan dat we hen het leven misgunnen.

Volmaakt zijn zoals onze Vader volmaakt is, betekent dat wij ieder ander helpen vanuit de liefde voor God voor eenieder van ons heeft. Amen.